Leventje met muziek

Hallo, eenieder die – door zoekwerk, doorverwijzing of toeval – op deze website is beland. Ik zal me even voorstellen: Peter Storm, geboren 1 september 1961 in Arnhem. Gewoond in Arnhem, Oosterbeek, Utrecht en Tilburg, waar ik nog steeds woon.

Laat ik eens wat grasduinen in mijn muzikale geschiedenis. Thuis werd vooral klassieke muziek gedraaid, passie van mijn vader. Bach, Bartòk, het stevige werk kortom. Ook wel lichtvoetiger dingen hoor, ik herinner me met groot plezier de hoornconcerten van Mozart, waar ik nog steeds wel een stukje van kan neuriën… De eerste LP die ik kreeg – voor kerst? Voor mijn verjaardag? Dat ben ik kwijt – was ‘Peter en de Wolf’, een muzikaal sprookje van de Russische componist Prokofiev. Elk persoon daarin had een eigen melodie en een eigen intrument. Zo maakte ik kennis met de klarinet, de hobo en de fagot. NIet dat ik ooit één van de drie instrumenten heb gespeeld hoor, maar het is toch aardig om te vertellen, en ik vind ‘fagot’ zo’n mooi woord, en een mooi instrument ook…

Ooit – tijdens mijn lagere-schooltijd – heb ik pianoles gehad, eerst prive, daarna een tijdje op de muziekschool. Dat werd allemaal niet veel, de muziekboeken vlogen door de kamer als het niet ging (nogal vaak). Daarna heb ik een paar jaar in een kinderkoor gezongen, iets wat ik steeds minder leuk vond. Maar ik kan wél zeggen dat ik ooit meegezongen heb met de Mattheus-Passion van Bach. Drie of vier korte stukjes mochten de kinders dan zingen in dit indrukwekkende grote-mensen-spektakel, maar daarvoor mocht je dan wel langdurig in de hitte staan wachten tot je weer mocht. Dat de kinderbescherming en de arbeidsinspectie niet ingrepen is achteraf toch wel verbijsterend.

Daarna een tijd alleen muziek geluisterd, en dan ging het veelal om country & western, rustige lichte muziek, ook vrij veel Nederlandstalig. Ja ja, in die tijd keek in naar Op Losse Groeven. Met Chiel Montagne. Dat was in eerste jaren van mijn middelbare-schooltijd.

Vanaf 1976 kreeg ik vooral belangstelling voor popmuziek, aanvankelijk het gangbare hitparadewerk. ABBA-fan, om maar eens wat te noemen. In die tijd begon ik Toppop te kijken en zo, en in 1977 kreeg ik mijn eerste gitaar; vorige zomer hebben mijn gitaar en ik ons 30-jarige samenzijn gevierd, in het bijzijn van vrienden en bekenden, door middel van een huskameroptreden van mij. Vanaf dat jaar tot in 1983 had ik gitaarles, de eerste jaren van de strenge maar vriendelijke en wijze leraar, meneer Melkert. Moge mijn dank meeklinken in elke gitaarsnaar die ik aanraak.

Vanaf dat jaar kreeg ik steeds meer interesse in de geschiedenis van de rockmuziek. Boekenwurm die ik ben, betekende dat: lezen over rockmuziek. Al snel – in 1978 – werd ik Beatles-fan en Stones-liefhebber, en kreeg ik ook steeds meer een fascinatie voor de jaren zestig zelf. Kort na de jaarwisseling naar 1979 toe ging ik me toeleggen op liedjes (folk en rock) spelen en zingen. In die ijskoude januarimaand las ik, uit nieuwsgierigheid, een boek over Bob Dylan, een man wiens kijk op leven, maatschappij en wereld me mateloos raakte. Ik begon te lezen, heb volgens mij de hele nacht doorgelezen, en vlak voor ik weer naar school moest was het boek uit en de liefde voor Dylan aan. Ik raakte verslingerd aan zijn songs, en dat ben ik nog steeds, eigenlijk meer dan ooit.

Van daaruit kreeg ik belangstelling voor het soort muziek waar Dylan door beïnvloed was: blues en vooral folk. Pete Seeger was één van mijn volgende ontdekkingen. Ergens in dat jaar raakte ik geboeid door de 5-snarige banjo, misschien omdat Seeger zo’n ding speelde, ik weet het eigenlijk niet. Misschien gewoon wel het idee dat ik dan ook iets speelde dat niet zo heel erg gangbaar was, gitaar spelen doen er al zoveel, nietwaar? Hoe dan ook: dat jaar verzamelde ik mijn spaarcentjes en kocht ik zo’n ding. Met boekjes erbij heb ik min of meer geleerd om het ding te bespelen ook. Maar door gehannes met snaren vervangen en ander gedoe is dat na 1983 verwaarloosd. In 1984 ging ik bovendien op kamers wonen en heb ik het geval – dat nogal veel volume produceert – maar  niet meegenomen. Maar onlangs heeft mijn oudere broer de banjo opgekalefaterd, en sindsdien speel ik ook weer banjo.

In 1982 kreeg ik ook nog een harmonica-houder plus mondharmonica, zodat ik gitaar en harmonica tegelijk kom spelen, om de gezongen  stukken heen. Heel bedreven werd ik daar niet in, en in 1989 of zo heb ik de dingen voor een paar gulden verkocht aan een vriend die er meer aan had. Rond 1979-1980 heb ik ook met een zekere regelmaat het elektronisch orgel dat mijn moeder had nogal misbruikt, maar ook dat zette niet door. Misschien maar beter ook…

Intussen had ik nog klassiek gitaarles, en een tijdje heb ik de hoop gehad dat ik daarmee naar het Conservatorium zou kunnen. Voorspelen in 1980 op een toelating aldaar – in Arnhem – leidde tot afwijzing. Ik ging dat jaar geschiedenis studeren (ik heb heel even musicologie overwogen, maar dat was me veel te technisch), min of meer als parkeerstudie: het idee om later nog eens toelating te proberen was niet meteen weg. Daar is het nooit van gekomen, en de studie heb ik gewoon afgemaakt. Het idee om beroepsmusicus te worden liet ik steeds meer los, hoe meer ik zag van studenten Conservatorium en het leven dat zij leidden, hoe minder spijt ik had dat mijn toekomst dáár niet lag.

Wel was ik enthousiast luisteraar van klassieke muziek. Vooral in de lange zomervakanties liet ik mij door jongere broer Joost via lange luistersessies rondleiden, door een doos LPs met strijkkwartetten van Mozart, symfoniën van Beethoven en heel veel ander moois. Later verflauwde dat wat en kreeg aandacht voor rock, folk, blues en aanpalende stijlen de overhand – aansluitend bij wat ik zelf bleef spelen toen ik geen gitaarles meer had, vanaf 1983.

Echt optreden deed ik in die tijd niet, op drie gelegenheden na. Een keertje een handvol liedjes zingen en spelen op een open podium in een folkcafé in Arnhem – ik denk in 1981 – werd naar mijn gevoel een afgang. Daarnaast mocht ik twee keer meedoen in een ensemble dat een bijdrage leverde aan een 4-mei-viering in de schouwburg van Arnhem, en dat ging beter.

Mijn gitaar begeleidde daar een prachtig stuk uit de Mauthausen-cyclus van de componist Mikis Theodorakis. Ook mocht ik, met het tokkelen van een stuk van Pink Floyd, het voordragen van een gedicht ondersteunen. Aan het contact met twee van de acteurs die aan het gebeuren deelnamen :Inez en Willem Paul Edelman – bewaar ik hele goede herinneringen, Niet alleen over muziek, maar ook over de linkse maatschappijvisie waarmee die muziek voor mij verbonden was en is, kon ik van hun veel leren en met hun veel delen. Dat was in de jaren 1981 en 1982. De jaren daarop verkende ik vooral de rock- en aanverwante muziek van de jaren zestig en zeventig. Uit die jaren stamt mijn voorliefde voor Neil Young, de Velvet Underground, de Kinks en last but not least Nick Drake.

In 1984 ging ik voor de eerste en tot nu toe laatste keer ook naar een rockconcert: Bob Dylan trad dat jaar op in Ahoy, Rotterdam, en je kon nooit weten of dat niet de laatste keer zou zijn dat de man in Nederland zou optreden. Erheen dus, een langdradig voorprogramma van Santana doorstaan, een vrij kort en niet overdreven zinderend concert van Dylan meegemaakt, de laatste trein naar Utrecht terug gemist en bij wildvreemde mensen blijven slapen. Wel een ervaring. Dylan is trouwens sinds die tijd nog herhaaldelijk in Nederland geweest, dus ik had me niet zo hoeven haasten. Maar dat wist ik toen nog niet…

(wordt vervolgd en vast nog wel eens gewijzigd…))

Reageer